tips & inspiratie

Prehistorische planten

Ongeveer 450 miljoen jaar geleden zijn de eerste planten ontstaan. Als eerste ontstonden algen, van daaruit ontwikkelden zich levermossen en vervolgens echte mossen. Via de zogenoemde wolfsklauwen ontwikkelden de varens zich. Nadat de varens lange tijd de dienst uitmaakten kwamen de naaktzadigen op het toneel. Dit zijn planten met zaden, maar zonder bloemen, voorbeelden hiervan zijn coniferen, ginkgo en cycas (bij ons vooral bekend als palmachtige kamerplanten). Bloeiende planten bestaan relatief kort, ‘pas’ 130 miljoen jaar geleden zijn de allereersten ontstaan volgens gevonden fossielen.

Tussen de dino’s

Sommige planten die al bestonden in de tijd van de dinosaurussen kunnen we nu nog steeds bewonderen. Vaak zijn ze niet of nauwelijks veranderd en daarom zie je in films en op dinoplaatjes hele herkenbare achtergronden vol groen. Bloemen waren er in die tijd nog niet, toen de bloeiende planten zich volop gingen verspreiden waren de dinosaurussen al bijna uitgestorven. Voor liefhebbers zijn er veel planten te vinden die passen in een thematuin, of om de kleine dinoliefhebber tussen te laten spelen met speelgoed dinosaurussen.

Varens

De eerste varens stammen van ongeveer 350 miljoen jaar geleden. Het ‘ontwerp’ was een schot in de roos en is in al die tijd niet veranderd. Varens verspreiden zich door sporen te maken, deze worden door de wind verspreid en kunnen zelfstandig uitgroeien tot een nieuwe plant. Als er sporen van meerdere varens op dezelfde plaats terecht komen kunnen er kruisingen ontstaan. Dit is de natuur gebeurd en de laatste decennia ook steeds meer door kwekers. Er zijn dus veel meer soorten en rassen varens dan lang geleden, maar de groeiwijze is nog altijd hetzelfde.

Uitgestorven watercipres

Metasequoia glyptostroboides of watercipres is een naaldverliezende conifeer waarvan lang gedacht is dat deze uitgestorven was. 67 miljoen jaar geleden liep de T. rex al tussen deze giganten. In de jaren 40 werd in China een heel bos van deze bomen gevonden, de enigen die nog op aarde bestonden. Kwekers hebben in de jaren erna geleerd deze bomen te vermeerderen en ze zijn inmiddels overal te vinden, ook zijn er nieuwe rassen gekweekt. Ze kunnen uiteindelijk 60 meter hoog worden, maar daar hebben ze vele jaren voor nodig. In ons klimaat staan nog niet zulke hoge bomen. Ze hebben een spectaculaire gele herfstkleur, mooie stam en goede groeikracht. Ze zijn populair omdat de naalden weinig rommel geven in vergelijking met andere coniferen.

Ginkgo biloba

Het lijkt een boom door de ‘bladeren’, maar is in feite een conifeer met vreemd gevormde naalden. Het oudste fossiel van Ginkgo is 170 miljoen jaar oud en 100 miljoen jaar eerder bestond de voorouder van de huidige Ginkgo al. Er worden veel geneeskrachtige krachten aan de Ginkgo toegeschreven, de ‘bladeren’ en zaden worden onder andere gebruikt om astma, bronchitis en dementie tegen te gaan en het geheugen te verbeteren. In het wild was ook deze soort vrijwel uitgestorven, maar in Chinese kloostertuinen zijn ze gelukkig bewaard gebleven en tegenwoordig zijn ze weer volop te vinden. In de herfst kleuren Ginkgo’s felgeel en naast de soort zijn er ook klein blijvende rassen gekweekt.

Ginkgo

Specerijenstruik

De specerijenstruik, Calycanthus floridus, kwam ruim 70 miljoen jaar geleden al voor. Deze struik heeft apart gevormde bloemen. In die tijd waren er nog geen bijen of vlinders en de vorm van de ‘bloemen’ is daarom aangepast aan bestuiving door kevers. Tegenwoordig maken we dankbaar gebruik van de mooie diep roodpaarse kleur van de bloemen en hun geur in de tuin. Olie gemaakt van de bloemen van Calycanthus wordt ook gebruikt in sommige parfums.

Apenboom

Araucaria is de officiële naam van de apenboom. Een zeer oud soort conifeer die in het wild alleen nog voorkomt in Argentinië en Chili. De takken zijn bezet met scherpe stekels, dit zijn eigenlijk de bladeren. De bast hieronder lijkt volgens sommigen op reptielenhuid. Deze bomen zijn erg sterk en winterhard, ze kunnen 40 meter hoog worden en hebben dan een kale stam. De bomen die we hier zien zijn vaak jong en onvolgroeid vergeleken daarbij. Vanaf 1850 wordt deze soort in (botanische) tuinen gekweekt en de aparte naam zou komen van een Engelsman die bij het zien van de boom zei “Zelfs een aap zou niet weten hoe hij hierin moet klimmen”.