tips & inspiratie

Goed gebruik van gewasbeschermingsmiddelen

Onkruid, luizen, rupsen en groene aanslag. Zo nu en dan is ingrijpen onvermijdelijk als je de tuin netjes op orde wilt houden. Een deel is op te lossen met preventie (bijv. het gebruik van bodembedekkers tegen onkruid) en regelmatig onderhoud. Moet je toch een keer naar een rigoureuze oplossing grijpen zorg er dan voor dat je volgens de richtlijnen werkt om schade aan beplanting en het milieu te voorkomen.

Wist je dat vissen, waterdieren en waterplanten vele malen gevoeliger zijn voor veel (chemische) stoffen en massaal kunnen sterven aan uitgespoelde middelen?

Voor professioneel gebruik buiten de land- en tuinbouw zijn gewasbeschermingsmiddelen inmiddels verboden. Gemeenten en bedrijven mogen daarom niet meer spuiten tegen onkruid en moeten nu borstelen, branden of stomen. Boeren en kwekers moeten een spuitlicentie halen, een diploma dat regelmatig vernieuwd moet worden en ervoor zorgt dat iedereen die met gewasbescherming werkt weet hoe hier goed mee omgegaan moet worden. Deze maatregelen zijn erop gericht de negatieve effecten van gewasbescherming op het milieu zoveel mogelijk te beperken. Voor particulieren zijn de meeste middelen nog vrij verkrijgbaar en toepasbaar. En zolang jij je houdt aan deze stelregels help je mee de impact van jouw spuitbeurten te minimaliseren.

Algemene uitgangspunten:

– Gebruik alleen wettelijk toegestane middelen. Huismiddeltjes zijn vrijwel altijd verboden voor gebruik als bestrijdingsmiddel. Dat geldt bijvoorbeeld ook voor schoonmaakazijn, dit wordt bovendien vaak in te hoge dosering gebruikt waardoor het schadelijk kan zijn voor het milieu.
– Gebruik de juiste dosering. Meer middel of minder water versterkt de werking niet.
– Houdt je aan het maximaal aantal toepassingen per jaar dat op de verpakking staat. Om te voorkomen dat er resistentie ontstaat en het middel niet meer werkt wordt dit voor ieder middel bepaald op basis van de werking.

Praktische aanwijzingen:

– Gebruik een schone spuit en stel deze in op een zo fijn mogelijke spuitnevel. Maak de spuit na ieder gebruik schoon en spoel deze achteraf na met schoon water. Vergeet hierbij de leiding en spuitdop niet. Zo voorkom je dat filters verstoppen en blijft je spuitnevel mooi fijn.
– Spuit alleen daar waar nodig. De meest gebruikte middelen hebben een contactwerking. Alleen onkruid of plaagdieren die je raakt tijdens het spuiten worden bestreden, het heeft dus geen zin om ‘preventief’ een hele oprit of border te spuiten.
– Maak niet teveel spuitvloeistof aan. Liever een portie extra maken dan ineens een grote hoeveelheid mengen en middel moeten weggooien.
– Spuit niet bij felle zon. Planten kunnen verbranden en de werking is vaak minder omdat de spuitvloeistof snel verdampt.
– Blijf tijdens het spuiten uit de buurt van oppervlaktewater (sloten, vijvers, afwateringsgoten) om te voorkomen dat er middel in het water terecht komt.
– Spuit alleen bij windstil weer. De fijne spuitnevel kan ver weg waaien en daardoor onbedoeld andere planten of water raken.
– Wacht met spuiten wanneer er regen verwacht wordt. De middelen spoelen dan weg waardoor de werking veel minder is. Daarnaast is het risico op verontreiniging groter door het wegspoelen.